Sudentenreis naar Lubumbashi, DRC

Om studenten van de VUB de mogelijkheid te geven om de concrete, dagdagelijkse realiteit van een land in het ‘Zuiden’ te zien, te ruiken, te horen, te voelen, kortom te ervaren met alle zintuigen organiseert UCOS een studentenreis naar Lubumbashi. Deze reis wordt omkaderd door een voor- en natraject. Alle info over dit project vind je via www.studentzoekwereld.be. Op deze blog vind je een weergave van de avonturen van de 10 studenten die in academiejaar 2008-2009 hebben deelgenomen.


Voor editie 2009-2010, zie http://lubumbxl10.blogspot.com

maandag 23 maart 2009

On s'est bien amusé!

Natuurlijk hebben we ons in Lubumbashi ook goed geamuseerd, samen met de 'Kassapards' (studenten van de UNILU): samen gegeten, gedanst, op bezoek bij de Kirolubum, uit geweest in een 'boîte',...

zondag 15 maart 2009

Terugkomweekend

Enkele weken na de reis, was er alweer een terugkomweekend voorzien. Om elkaar terug te zien, verhalen uit te wisselen, maar ook om nog even stil te staan bij wat we in Lubumbashi allemaal hebben meegemaakt én om alvast de getuigenissenavond voor te bereiden.

zondag 8 maart 2009

UCOS in het nieuws in Lubumbashi

Jambo!

Het officiële onthaal op de Universiteit van Lubumbashi ging niet onopgemerkt voorbij. We waren omsingeld door een legertje... journalisten met als resultaat: een enthousiaste nieuwsuitzending diezelfde avond.
De Lushois zijn bljkbaar fervente journaalkijkers, want de daaropvolgende dagen werden we geregeld op straat herkend!

donderdag 5 maart 2009

Museum van Lubumbashi

We konden het befaamde museum van Lubumbashi tijdens ons verblijf natuurlijk niet links laten liggen. Het museum, dat onder andere gesteund wordt door het Museum voor Midden Afrika uit Tervuren, door DOGS, maar ook door groep Forrest (!) bezit een uitgebreide collectie archeologische, etnografische,... voorwerpen en staat bekend als het best uitgeruste uit heel Congo.
We werden er vakkundig rondgeleid en konden achteraf op het binnenplein genieten van een fruit vier-uurtje in de zon!

maandag 2 maart 2009

Tien studenten van de Vrije Universiteit Brussel trokken naar Congo.


Moezoengoe in goede en slechte tijden

De huidige situatie in Congo is zeer chaotisch. Dat hield een delegatie studenten van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) echter niet tegen om van 3 tot 17 februari naar Lubumbashi te reizen voor een uitwisselingsproject. Deze reis stond in het teken van een breder samenwerkingsverband tussen de VUB en de UNILU.


Lubumbashi is de tweede grootste stad van de Democratische Republiek Congo en tevens de hoofdstad van de zuidelijke provincie Katanga. De stad, vroeger Elisabethville gedoopt onder de Belgische vlag, is vandaag een belangrijk handelscentrum voor Congo. Katanga is de rijkste Congolese provincie en is, mede door zijn voorraad aan grondstoffen zoals koper, kobalt, zink en tin en de aanwezigheid van buitenlandse bedrijven, relatief gezien een van de meest stabiele regio’s in Congo.

De organisator van dit project, de educatieve vzw UCOS, ging niet zomaar over één nacht ijs. De reis werd voorafgegaan door een selectieronde en enkele infoweekends. Sofie Vanden Borre, studente aan de VUB en deelneemster aan de reis stelt: “De infoweekends waren interessant. Vooral de verschillende seminaries van professoren en de uitstappen naar Tervuren en de Matonge-wijk in Brussel waren echt de moeite.” Hierna was de Brusselse delegatie studenten voldoende ingeleid in de Congolese geschiedenis en cultuur om deze ook ter plaatse te ontdekken.

Eenmaal aangekomen werd de Belgische delegatie hartelijk onthaald door een Congolese groep studenten die meteen hun typische studentenlied aanzetten. De reis was goed gevuld. Zo werd er een bezoek gebracht aan verschillende ngo’s en bedrijven, de MONUC (VN-vredesmacht actief sinds 2001) maar ook met plaatselijke vrijwilligersorganisaties en verenigingen werd uitgebreid kennis gemaakt. “Het meest aangrijpende project was dat van de Salesianen (Orde van Don Bosco, red.),” aldus Sofie. “Zij hebben sinds ´83 een project in Lubumbashi met verschillende opvangtehuizen voor straatkinderen. Dit project was speciaal omdat er wordt geprobeerd kinderen op te voeden, te steunen en te reïntegreren, maar dan op initiatief van het kind zélf. Er wordt ook gezorgd voor bemiddeling tussen kinderen, die vaak worden verstoten na beschuldiging van hekserij, en hun ouders.” Tijdens al deze bezoeken werd uitgebreid samengewerkt met Congolese verenigingen en universiteitsmedewerkers van de Unilu, mensen die al jaren persoonlijke ervaring hebben met de Congolese situatie.

Woede

De reis verliep zo goed als vlekkeloos, maar eenmaal kwam de ontvlambaarheid van de situatie toch aan het licht. “Tijdens een uitstap kwamen we langs een woelige situatie die ontstaan was doordat er een mijnwerker was aangereden door een auto. Een kleine aanleiding is genoeg om de mensen in woede te laten uitbarsten en zeker nu onder de verslechterende omstandigheden van de economische crisis. Zo probeerde een grote groep mensen ons tegen te houden, gewoon omdat wij een vreemd element waren in de situatie. Voor hen waren wij moezoengoe: blanken en dit had soms positieve, maar soms ook minder positieve gevolgen,” verhaalt Sofie.

Men kan moeilijk ontkennen dat dergelijke projecten enorm bijdragen tot het smeden van interculturele banden en verrijking van beide werelden. “Het is niet altijd eenvoudig om de complexe situatie te overzien, maar achteraf bekeken was het echt een positieve en fantastische ervaring,” besluit Sofie.

Auteur: Mathias Vanden Borre – verschenen in Veto nr 15, 23-02-09

zaterdag 28 februari 2009

Welkom op de Bxl-Lubum blog!

Hier zal je de komende weken steeds meer foto's, filmpjes, verhalen,... kunnen vinden over onze allereerste studentenreis naar Lubumbashi.

Kom dus zeker regelmatig eens piepen.

Een eerste filmpje willen we je alvast niet onthouden:

Bunkeya

Zaterdag 14 februari begon de dag heel vroeg. Om 5.50u liep mijn wekker voor de eerste keer af. Met een zeker gevoel van opwinding stond ik op. Vandaag zouden we de stad ruilen voor de brousse, een landschap waarmee ik amper vertrouwd ben en vanwaar een zeker ontastbaar mysterie uitgaat. Enkele dagen geleden was de planning voor de weekenduitstap licht gewijzigd: er zouden veiligheidsagenten meereizen. Welke de risico’s waren die aan de reis van nauwelijks 180 km vast hingen was me nog niet volledig duidelijk.

Na het ontbijt verspreidden we ons over twee witte terreinwagens, een gesloten jeep en een halfopen pick-up, en vertrokken we richting Bunkeya. De jeep, waarin ik zat, bleek uiterst oncomfortabele banken te hebben, wat me ervan weerhield om terug in te dommelen. Of de pick-up daar meer geschikt voor zou zijn geweest was onwaarschijnlijk, want de wegen – zo bleek al gauw – zouden voor een letterlijk bewogen reis zorgen.

Papa Moamba, een zwijgzame 78-jarige Congolees, zat wat ineengedoken aan het stuur van de jeep. Aan het stuur van de pick-up zat Fabrice, een wakkere Belg met verleden in de Belgische geheime dienst, die reeds acht jaar in het land woont. In de laadbak van zijn wagen zaten twee nogal stoer ogende agenten van Fabrice’ bedrijf Delta Protection.

De weg naar Bunkeya was lastig, zowel voor onervaren Afrika-passagier als voor de chauffeur. Onderweg zagen we het landschap geleidelijk aan ruwer worden, heuvelachtiger en meer bebost. De rode weg die de fel groene landschappen doorsneed was hobbelig en schudde ons meerdere malen door elkaar. Hoe vanzelfsprekend is asfalt toch voor ons verwende westerlingen. Eindelijk was het dan zover, de gsm-mast van het dorpje kwam in zicht. Aan de laatste heuvel voor het dorp werden we opgewacht door een delegatie scouts, die via via van onze komst op de hoogte waren gebracht. Om de eer in ontvangst te nemen, stapten we uit en liepen we te voet mee. Een sympathiek gebaar, maar misschien wat te veel van het goede, leek me.



Na een vlugge kennismaking zetten we aan richting dorp. Het gezang en energieke gedans en geloop, trok ettelijke tientallen kinderen uit het dorp aan. Hun enthousiasme werd nog groter bij het opmerken van de musungu’s. Zelf kinderen van – naar schatting – vijf jaar zag ik het woord broebelen. Zijn we dan echt zo bijzonder? De ouderen staan met schijnbare argwaan vanuit hun deurposten toe te kijken. Omringd door een ganse meute bereikten we het klooster, een restant van de Belgische kolonisator waar we zouden overnachten. Na een hartelijke verwelkoming van maman Yvonne, kregen we onze kamers toegewezen en werden we voor de maaltijd uitgenodigd. Enkele van m’n medestudentes hadden dorpskinderen op de arm of op de schoot.

Na de maaltijd brachten we een bezoek aan de dorpsoverste – burgemeester, zeg maar – wiens naam me is ontgaan. Hij zou ons vertellen over de grote held van Bunkeya, Musiri genaamd, die zich meer dan een eeuw geleden hevig verzette tegen de Belgische kolonisatie. Musiri had reeds eerder heldendaden verricht, maar pas nadat ene kapitein Botson drie kogels in zijn lijf gejaagd had, ging hij tegen de vlakte en werd hij legendarisch. Musiri’s zoon doodde daarop de moordenaar van zijn vader en wat daarop volgde is geschiedenis. De uiteenzetting van de burgemeester was nogal onduidelijk, met als gevolg dat ik last kreeg van plaatsvervangende schaamte. Dit verergerde toen hij ons naar het twijfelachtige monument leidde en een tropische stortbui losbarstte. Onverstoord ging hij verder, maar na enige vertwijfeling besloot ik toch onderdak te zoeken.

Volledig doorweekt kwamen we terug in het klooster aan. Het gebrek aan voeling met het land had de meesten onder ons doen vergeten hoe nat de regen hier is. Droge kledij werd een schaars goed. Maman Yvonne was zo goed ons een mini-kolenkacheltje te brengen. Zo brachten we de rest van de namiddag door rond gloeiende kolen, in de overdekte wandelgangen rond de binnentuin van een klooster dat op instorten staat, te midden van wellicht het meest bizarre dorp waar ik ooit voet heb gezet. We sloten de dag af op een terras, verlicht door slechts één spaarlamp en omringd door jongeren die naar Congolese muziekvideo’s zaten te gapen. Een vreemd gevoel overviel me, bijna onbehaaglijk, door ons opvallende anders zijn en doen. Strompelend door de modder keerden we één pintje later terug. Zonder veel moeite viel ik in slaap.

De volgende dag negeerde ik zoals gewoonlijk de eerste roep van mijn wekker. M’n kamergenoten waren voorbeeldiger en begonnen ijverig alles terug in te pakken en te kijken of er geen kakkerlakken in de kleren waren gekropen. Ontbijten deed ik amper. Geen honger. In de kapel van het klooster was een misviering bezig. Ik besloot een kijkje te nemen, ging het gebouw binnen en schoof aan op een van de achterste banken. Veel begreep ik niet van de mengeling van Frans en Swahili waarin de priester preekte. De liederen, die iedereen meezong of meemompelde, waren in dezelfde taal, maar het weerhield me niet een brok in de keel te krijgen. Ik wilde huilen. Het was of iedereen z’n leed uitriep, een leed waartegen het mijne niet leek opgewassen.

We zouden vertrekken en ik liet de misviering voor wat ze was. Na hartelijk dankjewel aan maman Yvonne, de burgemeester en de scoutsjongens, klommen we de voertuigen opnieuw in. Een kort en bevreemdend verblijf hadden we hier gehad. Waarom waren we nu alweer naar hier gekomen? Geen idee. Ontspanning na een veeleisende week. Ditmaal belandde ik op de achterbank van de pick-up van Fabrice. De weg terug zou een spannende afsluiting van de uitstap worden.

Na enkele kilometers vernamen we via radio trottoir, de rondgaande geruchten op straat, dat er wat verder op de hoofdweg een ongeluk was gebeurd: een creuseur (benaming voor artisanale mijnwerkers) was aangereden en er zou een kleine volkstoeloop zijn ontstaan. Fabrice wees ons erop dat dit problemen zou kunnen betekenen. Inderdaad. Weer vernamen via hetzelfde kanaal dat andere creuseurs en wegblokkade hadden opgeworpen enkele kilometers verder.

Fabrice stopte z’n wagen, gaf instructies aan papa Moamba in de jeep, droeg z’n agenten op alle bagage in de gesloten jeep te laden. We kregen te horen ramen en deuren te sluiten, horloges, brillen, juwelen en dergelijke op te bergen wanneer we de blokkade zouden naderen. De wegversperring was al van ver zichtbaar. Een geschatte twee à driehonderd creuseurs waren er samengekomen om geld te eisen van chauffeurs. Fabrice had beide van zijn agenten geld gegeven.

Wanneer we aan de versperring kwamen, schrok ik van de jeugdigheid van de creuseurs. De meeste leken me niet ouder dan achttien. Sommigen droegen stokken of metalen voorwerpen, wellicht bedoeld om onwillige chauffeurs te overtuigen. De retoriek van het gebeuren hielp ons de ernst van de situatie inzien. Gelukkig kwamen we er zonder kleerscheuren van af. Opluchting.

Wat later zagen we in de verte weer een wegversperring, maar nu een grotere. Een ingetogen paniek bekroop me. Dit waren geen honderd, maar duizend creuseurs. De wagens die voor ons reden leken evenmin geneigd deze massa tegemoet te rijden. Zelf Fabrice, anders zo koelbloedig, besloot dat dit te riskant was. Gelukkig was er een klein grindwegje dat misschien een uitweg bood. Ook de andere wagens voorkozen deze optie. Waar we ook zouden uitkomen, het zal alleszins beter zijn dan de blokkade. We kwamen doorheen allerlei kleine gehuchten, maar improviserend kwamen we terug op de hoofdweg, voorbij de blokkade.

Om wat te bekomen van de spanning gingen iets eten in het naburige Likasi, een stadje dat net als zoveel andere in Katanga, overheerst wordt door de mijnbouw en Gécamines in het bijzonder. Het is er nu opvallend rustig...

Auteur: Karel Deneckere, oorspronkelijk gepubliceerd op wereldblog www.mo.be